Diagnostiek

Diagnostiek is het vaststellen van een stoornis of ziekte aan de hand van symptomen en kenmerken van het probleem. Het doel van diagnostiek is indicatiestelling en het toewijzen van zorg. Om de diagnose 'persoonlijkheidsstoornis' te kunnen stellen gebruikt men verschillende instrumenten: interviews, vragenlijsten en classificatiesystemen (zoals de DSM en ICD 10). Het gebruiken van slechts één instrument om een persoonlijkheidsstoornis vast te stellen blijkt onvoldoende en leidt vaak tot een foute diagnose. Daarom is het belangrijk om meer diagnostische instrumenten in te zetten.


Instrumenten om een diagnose te kunnen stellen 

De DSM-5 draagt bij aan het stellen van een diagnose. Volgens de DSM moet iemand aan een aantal criteria voldoen om de diagnose persoonlijkheidsstoornis te krijgen:

A. Een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk binnen de cultuur van betrokkene afwijken van de verwachtingen. Dit patroon wordt zichtbaar op twee (of meer) van de volgende terreinen: 

  1. Cognities: wijze van waarnemen en interpreteren van zichzelf, anderen en gebeurtenissen
  2. Affecten: draagwijdte, intensiteit, labiliteit en adequaatheid van emotionele reacties
  3. Functioneren in het contact met anderen
  4. Beheersen van impulsen

B. Het duurzame patroon is star en uit zich op een breed terrein van persoonlijke en sociale situaties
C. Het duurzame patroon veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen
D. Het patroon is stabiel en van lange duur en het begin kan worden teruggevoerd naar ten minste de adolescentie of de vroege volwassenheid
E. Het duurzame patroon is niet eerder toe te schrijven aan een uiting of de consequentie van een andere psychische stoornis
F. Het duurzame patroon is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld schedeltrauma).

 

ICD 10

De ICD 10 (International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems) is een internationaal gehanteerde lijst van ziekten. Deze lijst omvat zowel psychiatrische als somatische ziekten, waar de DSM-5 alleen psychiatrische ziekten beschrijft. ICD deelt persoonlijkheidsstoornissen op de volgende wijze in: 

  • paranoïde persoonlijkheidsstoornis
  • schizoïde persoonlijkheidsstoornis
  • dissociale persoonlijkheidsstoornis
  • emotioneel onstabiele persoonlijkheidsstoornis
  • theatrale persoonlijkheidsstoornis
  • obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis
  • vermijdende persoonlijkheidsstoornis
  • afhankelijke persoonlijkheidsstoornis
  • ..ander 

De DSM omschrijft meer gedetailleerd de criteria waaraan iemand moet voldoen dan de ICD. Daarnaast omvat de DSM 10 verschillende vormen van persoonlijkheidsstoornissen, waar de ICD er 8 heeft. 

Andere instrumenten

Andere manieren om een diagnose te kunnen stellen zijn: 

  • Semi-gestructureerde diagnostische interviews, zoals
  1. SCID-II. Hieraan vooraf kan de SCID-II-Persoonlijkheidsvragenlijst als screener afgenomen worden. 
  2. IPDE. Dit interview bestaat uit 6 thema's: werk, zelf, interpersoonlijke relaties, affecten, realiteitstoetsing en impulscontrole. Voorafgaand aan het interview kan de IPDE Screenings Vragenlijst worden afgenomen.
  3. SIDP-IV: omvat tien secties, betrekking hebbend op verschillende levensgebieden (activiteiten en belangstelling, werk, relaties, sociale contacten, emoties, observaties, zelfpercepties, kijk op anderen, stress en boosheid en sociale conformiteit). 
  4. PCL-R; meet mate en ernst van psychopathie.  De PCL-R bestaat uit twintig items, ondergebracht in een van de volgende twee dimensies: (1) egoïstisch, ongevoelig en zonder wroeging gebruikmaken van anderen, en (2) chronisch impulsief en antisociaal gedrag. 
  5. DIB: diagnose borderline scherper afgrenzen van andere persoonlijkheidsstoornissen. De gebieden affect, cognities, impulsief gedrag en interpersoonlijke relaties worden uitgevraagd.
  6. BPDSI: ernst van manifestaties van borderline vaststellen. 
  7. STiP-5.1: ernst van persoonlijkheidsproblematiek. 
  • Zelfrapportagelijsten: 

  1. PDQ-4+ bestaat uit 99 items, waarbij de patiënt wordt gevraagd of een stelling op hem/haar van toepassing is (‘juist/onjuist').
  2. ADP-IV meet de aanwezigheid van het criterium en gaat na of de eigenschap degene of anderen last heeft berokkend 
  3. VKP is rond tien thema's gegroepeerd. De VKP voorziet zowel in categoriale als dimensionale scoring.
     
  • Psychodiagnostische instrumenten: 
  1. WAIS
  2. MMPI-2

Publicaties

Meer literatuur

  • Coid, J., Yang, M., Tyrer, P., Roberts, A., & Ullrich, S. (2006). Prevalence and correlates of personality disorder in Great Britain. The British Journal of Psychiatry, 188, 423-431.
  • Hopwood, C.J., et al. (2011). Personality Assessment in DSM-5: empirical support for rating: Severity, Style and Traits. Journal of Personality Disorders, 25, 305-320.
  • American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5®), Fifth Edition
  • Jani S, Johnson RS, Banu S, & Shah B (2016). Cross-cultural bias in the diagnosis of borderline personality disorder. Bulletin of the Menninger Clinic: 80, 146-165.